““Niet hoe je was, hoe je op je ellebogen achterover leunend, zo bleek was je, hoe we keken - niet vergeten, niet het zich zuchtend openvouwen - nooit vergeten, niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn. Wat van ons verloren is gegaan. Wie van ons verloren ging. Laten we elkaar zo herinneren voor de herinneringen dingen met ons doen: een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht, hoe we, op onze ellebogen achterover leunend, naar elkaar keken, een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht. Wit oplossend als suiker in het vallende duister. De echo van je zucht. De echo van de echo van je zucht.””